Bericht

Wat is FIEN?

Wat is FIEN

fiengif2

De Federatie Industrieel Erfgoed Nederland ontstond in 1984 als platform van een twintigtal organisaties.
Inmiddels is het aantal organisaties dat zich in de federatie heeft verenigd opgelopen tot boven de vijftig.
Binnen dit heterogene, maar enthousiaste, gezelschap bevinden zich lokale en regionale organisaties die zich op een bepaalde stad of een bepaalde streek richten, maar ook categoriale, die zich richten op gemalen, watertorens, schepen, trams etc.


Op de website (www.industrieel-erfgoed.nl) wordt u op de hoogte gehouden van de ontwikkelingen op het vakgebied. 

Bij FIEN kunt u terecht voor algemene informatie over het industrieel erfgoed.
Voor antwoord op specifieke vragen of projecten kan de FIEN doorverwijzen naar specialisten uit eigen kring Aangesloten Organisaties of daarbuiten.


FIEN is te bereiken via de Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken. of via het onderstaand adres.

Secretariaat FIEN :
p/a G. van Hooff
Trambrugweg 3
5707 XZ  Helmond
Tel: 0492-532783

E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Industrieel Erfgoed

De term 'Industrieel Erfgoed' is vrij jong en werd voorgegaan door de uit de vijftiger jaren daterende term 'Industriële Archeologie'.
De historicus Michael Rix omschreef het begrip als volgt: 'Industriële archeologie is het registreren, in bepaalde gevallen behouden en het interpreteren van terreinen en structuren van vroeg-industriële activiteiten, in het bijzonder de monumenten van de industriële revolutie'.
In Nederland is deze term ook gebruikt, maar daarnaast kwam ook de term 'monumenten van bedrijf en techniek' in zwang. Hierbij lag het zwaartepunt op het onroerend goed.
Thans is de gebruikelijke term 'Industrieel Erfgoed', waarmee zowel het onroerend (gebouwen) als het roerend erfgoed (machines e.d.) wordt aangeduid.

 

Historie

In vergelijking tot de ons omringende landen is Nederland vrij laat gaan industrialiseren.
Pas na 1870 wordt het gebruik van stoomkracht op grote schaal toegepast bij het vervaardigen van producten, het transport en de waterbeheersing.
Dit bracht schaalvergroting, nieuwe productieprocessen en ook een nieuwe vorm van gebouwen, te weten fabrieken, met zich mee.
Deze vorm van industrialisatie heeft zich tot in de jaren zestig kunnen handhaven.
Door veranderende productieprocessen, schaalvergroting en de opheffing van belemmeringen in het wereldhandelsverkeer, de komst van de EG en de concurrentie met de zogenoemde lage lonen landen vond er langzamerhand een verandering plaats in Nederland.
De nadruk lag niet meer direct op industriële productie. Dienstverlening, transport en logistiek werden de belangrijkste pijlers van de economie.
Hierdoor verdwenen een groot aantal traditionele bedrijven of bedrijfstakken. Een sprekend voorbeeld is de mijnbouw in Zuid-Limburg.
Door de vondst van het aardgas in Noord-Nederland en de concurrentie van kolen uit andere landen, b.v. dagbouw in Noord-Amerika, bleken de Nederlandse mijnen niet meer concurrerend te kunnen werken.
In hoog tempo zijn dan ook sinds 1963 de mijnen gesloten en is van de mijnbouw in ons land weinig meer terug te vinden.
Een andere sector waar ook een snelle sluiting en kaalslag plaats had, was de textiel.
Veel fabrieken werden gesloten en gesloopt en traditionele textielcentra als Enschede, Almelo, Tilburg en Helmond ondergingen een drastische gedaanteverwisseling.

 

Behoud

Ten tijde van al deze snelle veranderingen, zo rond 1970, ontstond ook een herwaardering van de voortbrengsels uit de negentiende eeuw, zoals gietijzeren bruggen, vuurtorens en stoommachines. Deze belangstelling leidde tot een eerste symposium over industriële archeologie, georganiseerd door het Koninklijk Instituut van Ingenieurs (KIVI) en de Technische Hogeschool te Delft (1974).
Vervolgens ontstonden er op plaatselijk en regionaal niveau organisaties die zich gingen inzetten voor behoud en documentatie van het industrieel erfgoed.
Van een brede interesse was echter nog geen sprake. Zelfs de overheden en de instanties die zich met Monumentenzorg en het Nederlands cultureel erfgoed bezighielden, besteedden weinig aandacht aan dit nieuwe type van monumenten.
In het Europees Monumentenjaar 1975 werden weliswaar enige vuurtorens, stationsgebouwen en gemalen op de rijksmonumentenlijst geplaatst, maar het terrein van het industrieel erfgoed bleef een gebied waarop het particulier initiatief zich actief betoonde. Inmiddels heeft de overheid ook ingezien dat het hier gaat om een categorie van objecten die onmiskenbaar een onderdeel vormen van het Nederlands cultureel erfgoed.
Immers bij het z.g. Monumenten Inventarisatie Project (MIP) van de jongere bouwkunst in ons land, tot stand gekomen tussen 1850 en 1940, werd men hier ook mee geconfronteerd.
In het kader van het Deltaplan voor het Cultuurbehoud uit 1991 werd besloten om de achterstand die ons land had op dit gebied in te lopen.
Zo werd in 1992 het Projectbureau Industrieel Erfgoed (PIE) opgericht. Het projectbureau kwam met een ambitieus plan onder de toepasselijke naam 'Druk op de ketel'.
Hierin werd aandacht gegeven aan onderzoek naar de verschillende bedrijfstakken van de Nederlandse industrie en wat daar nog aan roerend en onroerend goed van overgebleven was.
Herbestemming en hergebruik van industrieel erfgoed werd onder de aandacht gebracht en aandacht werd gevraagd voor draagvlakverbreding, educatie en cultuurtoerisme.
Zo ontstond het project ''1996: jaar van het industrieel erfgoed''. Dit themajaar omgeven met veel publiciteit heeft er toe bijgedragen dat het industrieel erfgoed in Nederland op de monumentenkaart werd gezet.
Met name het zogenoemde ‘ brancheonderzoek’ is van groot belang geweest voor de selectie van objecten in het kader van het Monumenten Selectie Plan (MSP).
Dit is een vervolg op het al eerder genoemde Monumenten Inventarisatie Project (MIP).
Een en ander heeft er toe bijgedragen dat er momenteel omstreeks 600 beschermde industriële monumenten zijn die representatief zijn voor de industriële geschiedenis van ons land.

Het PIE_project werd in 1997 succesvol afgesloten en het industrieelerfgoed en herbestemming werden onderdelen van de reguliere taken van de RDMZ.

 

Centrum voor Industrieel en Mobiel Erfgoed (CIME)

Om te komen tot verdere professionalisering werd op initiatief van een aantal organisaties uit het veld het Centrum voor Industrieel en Mobiel Erfgoed (CIME) opgericht. Met steun van het Prins Bernhard Fonds en VSB Fonds werd dit centrum gerealiseerd. De nadruk lag hier op het in kaart brengen van het roerend- en mobiel erfgoed in ons land. Naast inventariseren werd er ook een begin gemaakt met de z.g. Registers, voor varende monumenten en railmonumenten. Ondanks het belang van dit project  wat werd onderstreept met het rapport ''De kunst van het bundelen'' in 2004 bleek in de Cultuurnota 2005-2008 er geen speciale aandacht meer te zijn van rijkswege voor dit beleidsterrein. Het gevolg was dat in 2006 het CIME werd opgeheven.

Voor FIEN betekende dit dat zij zich ging heroriënteren op de toekomst voor de organisatie. FIEN is tot de conclusie gekomen dat, door het ontbreken van steun door de overheid, zij als vrijwilligersorganisatie geen bijdrage meer kan geven aan de beoogde professionalisering. FIEN besloot zich weer te gaan richten op de oorspronkelijke doelstellingen, zoals het ondersteunen van vrijwilligers door vrijwilligers en het functioneren als landelijk platform en als plaats voor kennisoverdracht aan de aangesloten organisaties.

In januari 2007 is FIEN een samenwerkingsovereenkomst aangegaan met de Bond Heemschut. FIEN publiceert voortaan drie keer per jaar haar Nieuwsbrief ''Industria'' (die al verschijnt vanaf 1991) in een apart katern in het tijdschrift ''Heemschut''. Hierdoor bereikt de nieuwsbrief, met actuele berichten over industrieel erfgoed in Nederland voortaan 8.000 abonnees. De samenwerking met Heemschut wordt van belang geacht waar het gaat om het bundelen van de krachten in onze beide organisaties.

Ondanks het stimulerende effect van het "Jaar van het Industrieel Erfgoed 1996" en de uit het  (MIP) geselecteerde Rijksmonumenten is er inmiddels helaas toch veel industrieel erfgoed gesloopt. Echter is er wel een kentering merkbaar, herbestemming wordt steeds belangrijker en de interesse van van projectontwikkelaars om er iets van te maken ook. Een mooi voorbeeld is ''SugarCity'' in Halfweg, waarbij een voormalige suikerfabriek werd getransformeerd in een modern bedrijven- en kantorencentrum.  Bij gemeenten is dit wat gecompliceerder in de praktijk, reden waarom de inzet van orgnaisaties die zich met industrieel erfgoed bezig houden nog steeds noodzakelijk is.

De laatste jaren blijkt echter steeds meer het belang van het behoud van Industrieel Erfgoed door te dringen tot de belanghebbenden. Daarnaast vinden steeds meer bedrijven het aantrekkelijk om in bijzondere ruimten hun kantoor te vestigen. Daardoor wordt het economisch ook steeds aantrekkelijker dergelijke objecten te herbestemmen. Niet alles kan behouden worden, maar het feit dat er niet meer altijd als eerste aan sloop gedacht wordt is al een hele verbetering.
Het blijft echter belangrijk om ontwikkelingen op het gebied van o.a. welstandsbeleid en (woning)bouwquota goed te volgen om ervoor te zorgen dat industrieel erfgoed tijdig in de bestemmingsplannen wordt ingepast.

Het blijft daarom noodzakelijk dat de leden van de Aangesloten Organisaties, de "oren en ogen" van de FIEN, alert reageren op locale ontwikkelingen. In 2004 heeft de staatssecretaris voor Cultuur de toewijzing van nieuwe Rijksmonumenten opgeschort. Inmiddels is een nieuwe procedure in 2009 geaccordeerd, die inhoud dat lokale monuemntenorganisaties alleen een advies kunnen indienen bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed ((tot 1-4-2009 de RACM) voor het behoud van een industrieel object. Toekennning van een monumentenstatus zal aechter alleen nog in uiztonderingsgevallen gebeuren.

Een monumentenstatus is overigens niet altijd een garantie dat een object behouden zal blijven; daarvoor is ook noodzakelijk dat het past in een lokaal bestemmingsplan en dat loc aal draagvlak voor behoud of herbestemming aanwezig is. Verder is het van belang dat bestaand "erkend" industrieel erfgoed ook een nuttige functie vervult en niet alleen staat "mooi te wezen". Verantwoord gebruik bevordert behoorlijk onderhoud en het locale draagvlak. Niet altijd is verantwoord gebruik op economische basis nog mogelijk of wenselijk en moet er moeizaam gezocht worden naar herbestemming.

 

Actief worden ?

Als tip voor belangstellenden met enige actiebereidheid geldt dat het van belang is goed geïnformeerd te zijn en lid te worden van één van de Aangesloten Organisaties, Historische Vereniging, Bond Heemschut, o.i.d.
Indien u een behoudenswaardig object voor wilt dragen voor een gemeentelijke, provinciale of rijksmonumentenstatus dient u "belanghebbende" te zijn; een Stichting (met een behoudsfunctie, zoals hiervoor genoemd) zal als zodanig meer gewicht in de schaal leggen dan een willekeurige particulier.
Uiterst belangrijk is het locale draagvlak; daarvoor dienen argumenten gezocht te worden (historisch onderzoek) die via publiciteit de opinie gunstig kunnen beïnvloeden.

 

 

01
Submit to FacebookSubmit to Google PlusSubmit to StumbleuponSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn